Inkomensongelijkheid

inkomensaandeelNaar aanleiding van het rapport van de WRR laat ik een paar grafieken zien die ik een aantal maanden geleden maakte.

We kijken naar het verloop van de inkomensgroepen (decielen) vanaf 1960.  De ongelijkheid is duidelijk het kleinste in 1983, tijdens het kabinet Van Agt – Wiegel. Het betreft het effect van maatregelen die door het kabinet daarvoor (Den Uyl) waren ingezet. Stel nu dat het eerste deciel een inkomensaandeel van 10 had, en het totaal van 1000. Bij gelijkblijvende ongelijkheid, maar stijgende inkomens en inflatie, kan de eerste groep op 15 komen, maar dan moet het totaal op 1500 komen: 10/1000 = 15/1500. Wat we echter zien is dat voor de meeste decielen het aandeel in de totale inkomenspot weer daalt. Dat wordt in deze grafieken weergegeven.

Het eerste deciel is een groep die qua samenstelling sterk fluctueert over de jaren. Het bevat uitkeringstrekkers maar ook studenten met een bijbaantje. Maar het totaal van de drie decielen bevat volledig de groep lagere inkomens, en zoals we kunnen zien, krijgen die sinds 1985 relatief zo’n 20% minder uit de totale inkomensruif. Ofwel, on plaats van de hierboven genoemde 15 krijgen ze 12.5

Als je het zo bekijkt, dan zijn de verschillen eigenlijk wel behoorlijk groot. Vanaf 1983 krijgen de top 30% inkomen30-30 stelselmatig meer uit de inkomensruif, en de rest minder. En de top 10% stijgt het hardst.

In het tweede plaatje staat de tijdreeks van de verhoudingen van het gemiddelde besteedbare hogere gezinsinkomen (top-30%) versus het gemiddelde lagere inkomen (onderste 30%).

Besteedbaar betekent dat de belastingheffing er af is en de toeslagen zijn bijgeteld.

Leave a Reply